donderdag, april 06, 2006

Het Antwerpse Justitiepaleis










Het Antwerpse Justitiepaleis

Het Antwerpse Justitiepaleis is het mooiste voorbeeld van het voornemen van de paarse regering om kost wat kost een begroting in evenwicht voor te leggen aan de bevolking.
Al vroeg werd bekend gemaakt dat de oorspronkelijke prijs van 106 miljoen euro niet haalbaar was en dat het totale kostenplaatje eerder rond de 250 miljoen euro ging schommelen. Een bedrag dat uiteraard veel te hoog lag om rechtstreeks in de begroting op te nemen als je koste wat het kost een begroting in evenwicht wil kunnen voorstellen.
Oorspronkelijk was het dan ook de bedoeling dat Justinvest, een tijdelijke vereniging van bouwgigant Interbuild, Dexia en KBC, dit bouwproject zou financiëren, waarna de regering het zou huren voor een periode van 26 jaar en zich na afloop van deze periode ook nog eigenaar zou mogen noemen van het Justitiepaleis. Deze constructie zou wel als gevolg hebben dat de totale kostprijs zou verhoogd worden met 50 tot 250 miljoen euro.
Maar, zei de regering, na die 26 jaar zou de regering dan dus wel eigenaar zijn van het complex. Het ware argument was natuurlijk het streven naar het kunnen voorstellen van een begroting in evenwicht.

Begin 2005 floot de Europese Commissie de paarse regering echter terug door deze constructie af te keuren. Waarna Minister van Financiën Reynders een nieuwe constructie uitwerkte. Er werd een overeenkomst gesloten met Cofinimmo, een gigant op de Belgische vastgoedmarkt, waarbij de regering het Justitiepaleis zelf zou bouwen, daarna meteen verkopen aan Cofinimmo, waarna de regering het dan zou gaan leasen.
Een financiële tijdbom, zei CD&v-Kamerlid Servais Verherstraeten, die onder druk van het verstrijken van deadline is afgesloten, wat uiteraard in het voordeel speelde van de bouwgigant. Niet enkel heeft deze slechts 112.000 euro moeten betalen voor dezelfde bouwgronden waarvoor de regering destijds 4,1 miljoen euro voor hadden betaald. Ook werd de huurperiode verlengd tot 36 jaar. De Inspectie van Financiën liet in een rapport weten dat in het beste scenario de teller na 36 jaar zou stoppen bij 569 miljoen euro, in het slechtste geval bij 669 miljoen euro.
Een financiële tijdbom waarbij de last gewoon wordt doorgeschoven naar de volgende generaties, meer is deze constructie niet. Bovendien zal de regering niet eens eigenaar zijn van het Justitiepaleis na 36 jaar een woekerprijs betaald te hebben voor het huren van het complex. Cofinimmo liet hierop weten dat er wel een koopoptie is opgenomen in het contract, voor nog eens 100 miljoen euro kan de regering het Justitiepaleis na 36 jaar definitief overnemen. Het is nog niet schandalig genoeg dat de belastingbetaler meer dan het dubbele van de officiële kostprijs moet betalen, na 36 jaar zou er dan nog eens 100 miljoen extra bovenop komen.

Het verkopen en terughuren van overheideigendom is een boekhoudkundige truc die al langer bestaat om de begroting in evenwicht te krijgen. Maar het begint stilaan de spuigaten uit te lopen, deze truc begint stilaan de normaalste zaak van de wereld te worden waardoor we een financiële hypotheek aan het leggen zijn op de komende generaties.
Generaties die de kostprijs zullen mogen betalen voor de onweerstaanbare drang van deze regering die koste wat het kost glimlachend een begroting in evenwicht wil kunnen voorleggen aan de bevolking zonder te denken aan de gevolgen van hun daden op lange termijn.

Bron: De Morgen, 05/04/2006
De Standaard, 20/11/2002

Maarten M

woensdag, april 05, 2006

Het cordon









Het cordon

In 1989 werd de term ‘cordon sanitaire’ door Jos Gheysels in de politiek geïntroduceerd; het is een synoniem voor het woord ‘schutkring’. In de veesector wordt deze term o.a. gebruikt wanneer er varkens- of vogelpest uitbreekt; men legt dan een schutkring aan rond de besmette bedrijven en niemand mag dan nog dieren van en naar die bedrijven voeren.
Om de opmars van het Vlaams Belang te stuiten had men hetzelfde idee: niemand van de andere partijen mocht politieke of bestuursakkoorden met het Vlaams Blok sluiten, men hoopte zo het Vlaams Blok onder controle te krijgen.
Deze strategie heeft duidelijk gefaald: Als het Vlaams belang in 1991 voor de Kamer-verkiezingen slechts 405.247 stemmen haalde, haalt ze er in 2004 voor de Vlaamse verkiezingen al 981.587. Hoewel het Cordon sanitaire door de andere politieke partijen niet meer herbevestigd wordt, blijven zij toch halstarrig elke samenwerking met het Vlaams Belang uitsluiten. Moet de situatie en het cordon niet eens herbekeken worden?
Zeker, het Vlaams Blok heeft in het verleden meermaals racistische uitspraken gedaan, ze is er zelfs voor veroordeeld! Ook nu horen we bij sommige belang-mandatarissen regelmatig nog een racistische uitspraak ontsnappen... “Het Vlaams Belang is verwerpelijk, want het is een partij die mensen tegen elkaar opzet: Vlamingen tegen Walen, autochtonen tegen allochtonen” aldus de ‘beschaafde partijen’. Kan de vraag echter niet gesteld worden wat de volksunie jarenlang gedaan heeft: heeft zij ook niet Vlamingen tegen Walen opgezet? Wat doen de socialisten als zij aan de macht zijn? Ze proberen de lasten voor de rijken te verhogen en die voor de armsten te verlagen, de liberalen proberen het omgekeerde. Proberen zij zo ook niet hun belangengroep te bevooroordelen ten koste van een andere groep in onze samenleving? Hun ‘opzetterijen’ zijn intellectueel gezien misschien beter gefundeerd, maar in essentie verschillen ze niet zoveel.
Het Vlaams Belang begint haar discriminaties trouwens ook beter te funderen: het gaat hem niet langer over ‘vreemdeling zijn’, maar wel het zich niet aanpassen aan onze gebruiken: ‘aanpassen of opkrassen’...
Verder speelt echter ook mee in de discussie dat de kwaliteit van het politiek personeel van het Vlaams Belang ondermaats is, zo konden we laatst in villa politica nog het zwakke optreden van Marleen Govaerts zien; ze kon met moeite twee zinnen aan elkaar babbelen!
En toch moet men zich eens een vraag stellen bij het nut van het Cordon: een partij die in het isolement geduwd wordt, kan het zich veroorloven van op alles wat slecht gaat in te kappen: ze moet immers zichzelf toch nooit bewijzen en wordt zo slapend rijk. Aangezien deze partij ook geen bestuursverantwoordelijkheid moet nemen, moet ze ook niet matigen en kan ze voorlopig nog iedere geleding in haar partij sussen: conservatieven, vlaamsgezinden, racisten en foertstemmers...
Met de voortzetting van het Cordon, begint het Antwerps model meer en meer ingeburgerd te raken: Drie, vier partijen die moeten samenhokken! Maar beste burger: vreest niet: de verlichte geesten in ons landje verzekeren u keer op keer dat die drie, vier partijen in alle verbondenheid zo’n goed beleid gaan voeren, dat het Vlaams Belang iedere volgende verkiezingen een nederlaag zal lijden!
Nog eventjes en men zal de wet zo moeten wijzigen dat het niet langer het volk is dat zijn politici kiest, maar de politici die hun volk kiezen...

Alexander L

dinsdag, april 04, 2006

Het huis van onze voorouders













Het huis van onze voorouders

De naoorlogse periode bracht ons continent een extreme welvaart. De ontberingen die de Tweede Wereldoorlogen met zich meebrachten werden door onze overgroot- en grootouders weggewerkt en een economisch voorspoedige periode was de hunne. Verdient want ze werkten er hard voor en konden zich dan ook een auto, wasmachine en een vakantiereis naar Italië of Spanje veroorloven.
Onze ouders groeiden op in deze periode van voorspoed en luxe, maar wilden zich zoals elke nieuwe generatie afzetten. Met als symbool mei ’68 ontstond een opstand tegen de gevestigde zogenaamd kleinburgerlijke maatschappij. De maniertjes en gewoonten van de vorige generatie waren bekrompen, alles moest kunnen en mogen.
Ondanks het feit dat mei ’68 in principe al enkele maanden later dood was, is het principe van ‘alles moeten kunnen en mogen’ sindsdien helemaal binnengeslopen en een soort van onzichtbare in alle moraal en wet weerspiegelde basiswet geworden. Het onmogelijke linkse streven naar een alle verschillen weggommende gelijkheid in combinatie hiermee leeft tot op de dag van vandaag door. De weerspiegeling kunnen we elke dag opnieuw rondom ons heen terugvinden.
Zo blijven de stemmen klinken om onze nieuwgeboren nageslacht vanaf heden een dubbele familienaam te geven. Recent dook het idee voor de zoveelste keer op met het voorstel van staatssecretaris voor het Gezin, Gisèle Mandaila (MR). De verankering van de gelijkheid tussen man en vrouw zou aan de basis van haar voorstel liggen. Mandala meent echter wel de traditie in ere te willen houden en dus mag de naam van de man eerst.
Onze familienaam werd pas onder Napoleon voor het eerst officieel vastgelegd maar is een reeds vele eeuwen bestaand gegeven. Het maakt deel uit van hoe wij onszelf reeds eeuwen noemen en nu gaan we dat ineens zomaar eventjes gaan aanpassen om zo voor eens en voor altijd de gelijkheid tussen man en vrouw te gaan bekomen? Zij die er uit ideologische overwegingen geen graten inzien kunnen betreffende de praktische kant van de zaak waarschijnlijk toch ook wel inzien dat dit voorstel niet haalbaar kan zijn.
Vrouwen hoeven zich overigens geen dingen wijs te maken, mannen willen hun kind helemaal niet hun eigen naam laten dragen uit noodzaak om de vrouw te onderdrukken.
De absurditeit echter waarmee we vandaag de dag nog steeds blijven streven naar het rechtzetten van zogenaamde krommen door met een van hoogheidwaanzin verblinde blik tradities omver te werpen is een duidelijk voorbeeld van het nog steeds sluimerend voortleven van de grondgedachte van mei ’68.
Minister Frank Vandenbroucke (Sp.a) liet in het Vlaams Parlement aan Veerle Heeren (CD&V) weten dat leerkrachten noch directie de boekentassen van leerlingen mogen doorzoeken in de strijd tegen drugs- en wapenbezit van minderjarigen. Vanwege de privacywet kan de leerling enkel gevraagd worden de inhoud van zijn tas te tonen. Indien er ernstige redenen zouden zijn om te vermoeden dat er illegale inhoud in de tas zou zitten kan de directie de politie vragen deze te komen bekijken.
Opnieuw een prachtig voorbeeld van de absurditeit waartoe we gekomen zijn. Uiteraard heeft een minderjarige net als allen rechten, en terecht zelfs meer rechten dan volwassenen, maar kunnen we ze vanwege hun minderjarigheid vrijstellen van alle plichten? In een maatschappij waarin de plichtenzijde van de weegschaal rechten – plichten voor iedereen minder zwaar blijkt door te wegen blijkbaar wel. Zijn wij als volwassenen niet verantwoordelijk voor de opvoeding van onze kinderen, genieten zij niet ongekend meer kansen dan het grootste percentage van de kinderen op onze planeet alsook ten opzichte van het overgrote deel van hun voorouders? De betutteling waar de mensen vandaag de dag mee af te rekenen hebben geldt aldus zeker en vast ook voor onze opvoeders. In de boekentas van een schoolgaand kind hoort toch niets meer te zitten dan boeken, pennenzak, brooddoos en hooguit de vandaag de dag blijkbaar noodzakelijke gadgets, van gsm tot mp3-speler. Als we onze opvoeders gaan weigeren de inhoud van potentieel drugs- en wapenbezittende jongeren hun tas te bekijken, laten we dan het hek niet helemaal van de dam komen?
Onze mondige jeugd krijgt over het algemeen enorm veel kansen en heeft geen tekort aan rechten. Onze ganse maatschappij heeft heel wat kansen gekregen en heeft mogelijkheden bij de vleet om die rechten af te dwingen. Wordt het niet eens tijd dat we ons ook terug eens op de plichten gaan controleren?
Een alles-kan-alles-mag-maatschappij werkt niet. We proberen vanuit een zogenaamd politiek correct denken honderden zaken aan te passen en te veranderen, als waren we de restanten van een ogenschijnlijk onnodige en onleefbare burcht stuk voor stuk aan het afbreken. Maar de eigenlijke burcht die we dienen af te breken is de onzichtbaar doorsluimerende alles-kan-alles-mag-grondgedachte van de ruïne van mei ’68. Laat ons hiermee afrekenen en de renovatie aangaan van de door ons bijna volledig afgebroken woning waarin onze voorvaderen reeds eeuwen woonden. Nieuwe aanpassingen hier en daar zijn uiteraard steeds nodig, ook aanpassingen aan de tijd. Wanneer de fundamenten barsten tonen dienen ze hersteld te worden, maar het huis moet onze thuis blijven. Gelukkig is het steeds een degelijk en leefbaar huis gebleken en staan de fundamenten ondanks de vele aanvallen nog steeds sterk.

Benjamin D

maandag, maart 27, 2006

De relativiteit van democratie











De relativiteit van democratie

Hoe relatief alles kan zijn werd zondag 26 maart eens te meer duidelijk in Oekraïne. De overwinnaars van de Oranje Revolutie, die hier in het Westen zo groots werd weergegeven (“eindelijk opnieuw eens een goeie oude revolutie van “het volk””) werd er tijdens de democratische verkiezingen naar huis gespeeld door niemand minder dan de pro-Russische boeman waartegen die Revolutie net zo nodig was.
De Oranje Revolutie zou Oekraïne eindelijk uit de corrupte greep van buurland Rusland halen en de democratie en Westerse luxe nu ook naar daar halen. De opmars van het Westen en haar democratie zou nu echt tot aan de grenzen van de voormalige Sovjet-Unie gaan reiken en vlak in het gezicht van de oppermachtige Poetin gaan staan.
De Westerse media sprong op de kar maar weigerde haar research op een degelijke manier aan te pakken want dat het verkeerd met de Oranje Revolutie zou aflopen hadden ze eigenlijk al in de sterren moeten kunnen lezen.
Meer dan een machtsgreep van de ene oligarchen ten opzichte van hun oud Sovjetgetrouwe varianten was het namelijk niet. Zowel president Viktor Joesjenko als premier Julia Timosjenko hebben hun hele carrière, lang voor er nog maar sprake was van een Oranje Revolutie, nauwe tot zeer nauwe banden met de energie-industrie die in Oekraïne goed is voor miljarden.
Timosjenko, naast “mooie Julia” is ook “de gasprinses” een van haar bijnamen, kreeg dankzij haar relatie met de gouverneur van de regio Dnepropetrovsk en de latere premier Pavel Lazarenko de controle over honderden vroegere staatsbedrijven en het alleenrecht op de import van gas uit Rusland. Timosjenko kreeg zo de controle over maar liefst 20% van het Bruto Nationaal Product van Oekraïne, werd directeur van de "Verenigde Energiesystemen van Oekraïne”, Minister van Energie en vice-premier tot ze door president Koetsjma ontslagen werd.
De verkiezingscampagne van Joesjenko en aldus ook de Oranje Revolutie werden dan weer hoofdzakelijk gefinancierd door rechtse Amerikaanse instellingen, onder andere van George Soros, en rijke Oekraïense zakenlieden, zoals Petr Porosjenko, de eigenaar van een van de grotere televisiestations van Oekraïne.
Van een opstand van en voor het volk blijkt vanuit een dergelijke invalshoek toch al veel minder sprake te zijn betreffende de Oranje Revolutie.
Echt verbazingwekkend was het dan ook zeker niet dat de nieuwe regering al zeer snel in opspraak kwam door het ene na het andere schandaal.
Het door een vergiftiging aangetaste gezicht van de Oranje Revolutie, president Viktor Joesjenko, probeerde de zwarte piet nog door te schuiven naar zijn premier Julia Timosjenko, die hij verantwoordelijk achtte voor de enorme daling van de economische groei van 12 naar 2%.
De grote verliezer van de Oranje Revolutie Janoekovitsj kan nu echter van een zoete revanche spreken. Zijn “Partij van de Regio’s” wint de verkiezingen met ruime voorsprong op de twee partijen van de Oranje Revolutie. In 2004 werd Janoekovitsj afgewezen als de vertegenwoordiger van de Sovjet-getrouwe oligarchenelite uit het noordelijke deel van Oekraïne. De vele oranje schandalen en enkele Amerikaanse imagoadviseurs wisten van de antiheld de nummer 1 in Oekraïne te maken.
In het Oranje kamp toont de uitslag van de verkiezingen dat de dame die haar halen blond verft en ze in een typisch volks knotje laat draaien om zich zo als volksmens te profileren nu het nieuwe gezicht van de Revolutie mag gaan worden.
Haar partij “Blok Timosjenko” is de tweede grootste partij. “Ons Oekraïne” van Joesjenko zou pas de derde partij zijn. Samen hebben ze net genoeg om toch een pro-Westerse regering aan de macht te houden, al kan een algemeen front onder leiding van Janoekovitsj tegen een Oranjecoalitie ook tot de mogelijkheden behoren.
De Oranje Revolutie heeft wel degelijk voor een democratische tendens in Oekraïne weten te zorgen. Ze toont echter tevens, naast het feit dat de verkondigers van de boodschap vaak bijkomende motieven hebben, dat zij die streven naar en voor democratie steeds in gedachten moeten houden dat een pleiten voor democratie niet rechtstreeks zal leiden tot de leiders die deze waarden tevens hoog in het vaandel dragen.

Pieter M

zaterdag, maart 25, 2006

Denktank: Is '68 alive and kicking?











Is '68 alive and kicking? Gaan de studentenprotesten in Frankrijk te ver of zijn ze terecht?

vrijdag, maart 03, 2006

Club van Brugge NIEUWS









.

Club van Brugge NIEUWS

Nieuw bij de Club van Brugge: club van brugge nieuws. Op deze aparte blog geeft de Club van Brugge u een permanent geupdate overzicht van interessant nieuws uit Vlaamse, Belgische, Europese en mondiale politieke actualiteit. Uiteraard met de mogelijkheid om je mening weer te geven en het debat aan te gaan. Voor een compact en handig overzicht van het interessantste nieuws: http://clubvanbruggenieuws.blogspot.com.

donderdag, februari 23, 2006

Koningin der badsteden



Koningin der badsteden

Oostende en de verkiezingen die ook aldaar plaatsvinden op 8 oktober zijn het toneel geworden van een politieke machtsstrijd van het allerhoogste niveau. Een waar voorbeeld van het uiterst intrigerende schaakspel dat politiek is. De inzet van de potentiële al dan niet beslissende zet: zal Jean-Marie Dedecker de VLD-lijst trekken of niet? Duizenden verschillende kronkels eigen aan de toppolitiek spelen in dit verhaal mee. Van de VLD’s lokale strijd om zich binnen de coalitie te dringen, over haar en VLD nationaal hun strijd om Vandelanotte z’n oppermacht te breken, tot zelfs de hoop om op nationaal niveau zich te ontdoen van enfant terrible Dedecker. Want die man zijn populariteit is voor VLD te groot geworden. Een populariteit die VLD een grote troef aanbood in tegenvallende tijden. Dedecker houdt meerdere liberale maar ook potentiële Belang stemmers binnen de rangen van Verhofstadts partij. Maar net daardoor is de VLD steeds minder Verhofstadts partij. Dedecker stookt keet en valt op die manier in de smaak van velen die de partij anders de rug zouden toekeren. Voorlopig blijft deze meerwaarde zijn partij trouw in zijn ontrouwheid. Maar trouwheid dient beloond te worden, en wel dringend. Een fractieleiderschap, ministerschap of andere prominent uitvoerend mandaat zou de man misschien kunnen af doen koelen en hem tevreden stellen. Maar wat heb je als partij nog aan een brave Dedecker? Ligt zijn meerwaarde net niet in zijn luid “oppositie binnen de partij”-gebrul? Hier ligt dan ook de dubbelzinnigheid van de man. Nu is hij nog nuttig voor VLD, maar eens hij effectief beloond dient te worden en in een uitvoerende functie zijn wilde haren zal moeten afscheren loopt hij het risico dat zijn achterban hem laf geworden zal vinden. Mogelijks het einde van zijn grote populariteit. Oostende kan nu voor VLD-nationaal de ideale kans zijn. Haalt Dedecker er een resultaat naar zijn huidig stempotentieel dan kan hij daar eindelijk een uitvoerend mandaat gaan opnemen, ver weg van waar de belangrijke politici hun ding doen. Haalt hij het niet in de strijd tegen Vandelanotte, een waarschijnlijkheid gezien het lokaal potentaat dat de huidige sp.a-voorzitter er heeft weten op te bouwen, dan krijgt Dedecker’s imago en hopelijk ook ego eindelijk de deuk waar ze bij de VLD top op zitten te wachten. Dedecker ziet het potentiële risico van Oostende uiteraard in en wil enkel meedoen in ruil voor garanties naar 2007 toe.
Dit uiterst interessante politieke machtsspel zal hoogstwaarschijnlijk een uiterst verrassend en intrigerende afloop kennen, het politieke machts- en schaakspel waardig. Wat het ons vooral voor de zoveelste keer aantoont is datgene waar het allemaal om draait. Tactiek. Elke zet waar anderen je toe dwingen kan je in je eigen voordeel doen uitdraaien, maar evenzeer kan een val die je zelf opzet je eigen einde betekenen. Je ergste vijanden, zij die je in de val proberen te lokken en voor wie jij een put probeert te graven, zijn je eigen partijgenoten. De vijand in politiek mag dan zogezegd een andere partijkleur hebben, diegenen waarmee je de ware strijd op leven en dood aangaat zijn zij met dezelfde partijkaart als de jouwe.

Benjamin D

maandag, februari 13, 2006

Denktank: Vrije meningsuiting vs. Religie ?







Vrije meningsuiting vs. Religie ?

Naar aanleiding van de “Cartoons”kwestie: moet de vrije meningsuiting absoluut zijn of zijn er grenzen. Zo ja, waar liggen die grenzen?

Denktank
















De Club van Brugge stelt voor: de “Denktank”.

De “Denktank” is een nieuw onderdeel bij van de Club van Brugge.
Binnen de “Denktank” is het de bedoeling dat de bezoekers van de site rond een centraal onderwerp zijn of haar mening kan formuleren. Niet langer een tekst met daarin reeds de stelling van de Club van Brugge, maar een open onderwerp ligt hier dus aan de basis van de discussie. Aan de hand van een discussie kan de Club van Brugge zo tot een standpunt komen omtrent het besproken onderwerp.

donderdag, februari 09, 2006

Uitbreiding euthanasiewet














Uitbreiding euthanasiewet

"Maar ik denk nog het meest van al aan de bejaarden met Alzheimer of andere handicaps, aan de ongeboren kinderen, aan de wilsonbekwamen die zelf hun wil niet kunnen uiten en waar anderen dreigen te beslissen of ze nog blijven of best uit het leven weggaan". Deze uitspraak van kardinaal Danneels tijdens zijn kerstavond-mis, deed uit paarse hoek een storm van protest opwaaien. De kardinaal had het immers gemunt op een uitbreiding van de euthanasiewet en senatoren als Jacinta De Roeck ( sp.a ) en Jeanine Leduc (vld ) waren er als de kippen bij om deze uitspraak te veroordelen als 'een ongeoorloofde inmenging van de kerk in de politiek'. Hierop haastte de woordvoerder van de kardinaal zich dan weer om te benadrukken dat de kardinaal geen politiek statement had willen stellen, maar enkel een boodschap naar de gelovigen toe had willen verkondigen.
Waarover gaat de mogelijke uitbreiding van de euthanasiewet eigenlijk?
In 2002 werd de eerste euthanasiewet goedgekeurd. België kon er volgens de paarse regering 'trots' op zijn de meest liberale euthanasiewet ter wereld te hebben. De wet laat actieve levenbeëindiging toe in geval van 'ondraaglijk lijden'. Dat ondraaglijk lijden moet niet noodzakelijk fysisch zijn; psychisch lijden staat uitdrukkelijk in de wet vermeld als een mogelijke grond voor euthanasie. Mensen met een zware depressie, die reeds jaren aansleept, komen dus eveneens in aanmerking. Over de mogelijke rol van palliatieve zorg als alternatief voor euthanasie, rept de wet geen woord. Mensen van palliatieve zorg kunnen er immers vaak in slagen, door hun jarenlange ervaring met stervensbegeleiding, de angst van ongeneeslijk zieke mensen voor wat komen zal te verlichten. Toch vond de wetgever het niet nodig om palliatieve zorg, als alternatief voor euthanasie, nog eens te belichten. Kritiek op de wet werd gepareerd met het feit, dat men wist dat de wet niet perfect was, maar dat ze nog altijd kon aangepast worden... Een wet die gaat over levensbeëindiging!
Aangezien deze wet enkel toepasselijk is bij meerderjarigen of ontvoogde meerderjarigen, zit de wetgever momenteel met een probleem. Wat immers met minderjarigen en dementerenden die hun wil niet (meer) te kennen kunnen geven? Daarom wil men nu de wet uitbreiden naar minderjarigen ( waar gaat men de leeftijdsgrens trekken? ) en dementerenden. Deze laatsten zouden d.m.v. een levenstestament, opgemaakt wanneer ze nog ten volle bij hun verstand zijn, te kennen kunnen geven euthanasie te willen ingeval dat ze dement zouden worden. Hoewel een levenstestament ook al toegelaten was onder de wet van 2002, zit men hier toch met een probleem: het is immers moeilijk te bepalen of een dementerende, die zelf zijn wil niet meer te kennen kan geven, ondraaglijk psychisch lijdt.
Dat is nu ook precies het probleem dat ik met die uitbreiding heb: ik vraag me af hoe iemand bij volle verstand, kan inschatten hoe hij zich zou voelen mocht hij dementeren? Velen onder ons hebben wellicht het beeld voor zich van rochelende, kwijlende ( excuseer mij voor het taalgebruik ) bejaarden die wezensloos voor zich zitten uit te staren. De Standaard wees er in de periode tussen kerst en nieuwjaar op met een paar getuigenissen van kinderen, wiens ouders dementeerden, dat dit niet noodzakelijk het geval hoeft te zijn. Een zoon getuigde o.a. hoe zijn vader nog genoot van zijn dagelijks sigaartje en hoewel, niet meer bij zijn volle verstand, nog met zijn kleinkinderen speelde die hij niet meer herkende. Ook een dochter met een dementerende moeder, getuigde hoe haar moeder toch nog glimlachend liedjes uit haar kindertijd kon zingen.
Met deze uitbreiding zou men mensen echter toelaten hun eigen doodsvonnis te tekenen. Indien ik, mij nog niet bewust van de dementie die zou volgen, zo'n testament opgemaakt heb, dan kan ik niet meer terug op het moment dat ik dement word. Ik ben dan immers niet meer in staat om 'mijn wil te uiten' en dat testament is dan onherroepelijk, ook al beleef ik, met een kinds verstand, nog aangename dagen. Beeld u in dat ik dan zou -op basis van een vroeger getekend levenstestament- meegenomen worden om een 'verlossend' spuitje te krijgen...
Voorstanders van deze uitbreiding beweren dat ze juist de zwakken en de weerlozen, door hun de mogelijkheid van euthanasie te bieden en deze 'mensonterende' situatie van dementering niet te moeten meemaken, willen beschermen. Dit laatste kan ons alleen maar cynisch stemmen: in welke maatschappij leven wij als de waarde van het menselijk leven beginnen af te meten aan de hand van de geestestoestand waarin iemand zich bevindt?Bij deze wil ik de kardinaal dan ook feliciteren en hem aanmoedigen om ook in zijn toekomstige preken de zwakken en de weerlozen te blijven verdedigen!

Alexander L

woensdag, februari 08, 2006

Het Russisch Leger









Het Russische Leger

Onlangs werd de wereld opgeschrikt door een afgrijselijk bericht: Andrej Sitsjev was op oudejaar urenlang vastgebonden aan een tank en gemarteld geweest door zijn officieren. Wanneer de officieren wat moe worden en besluiten een stapje te gaan zetten in de nabijgelegen stad laten ze Andrej voor dood hangen die ondertussen aagevreten wordt door koudvuur.
Gevolg van deze lugubere grap: de 19 jarige Andrej verliest al zijn vingers, zijn beide benen en zijn genitaliën.

Hoe afgrijselijk dit ook is, het is nog erger om te weten dat dit geen alleenstaand geval is. Dit ritueel, dedovtsjina, was oorspronkelijk bedoeld als een doop voor nieuwe rekruten maar is uitgegroeid tot de vrees van elke jonge Rus die het leger binnenkomt.
Het is dan ook geen verwondering te zien dat desertie en zelfs zelfmoord geen loze woorden zijn voor jonge Russen die hun oproepingsbevel in de bus krijgen.

Na 25 dagen kwamen berichten van deze mensonterende daad begaan tegen Sitsjev Moskou binnen en gingen honderden Russen protesteren voor het Ministerie van Defensie en eisten ze het ontslag van de Minister Ivanov. Aangezien deze laatste een oude makker is van Poetin uit de tijd dat ze samen bij de KGB zaten is de kans klein tot onbestaande dat er hier wat aan zal gedaan worden.
Poetin verzekerde dat hij de officieren voor de krijgsraad zou dagen.
Aangezien een onafhankelijke rechter in Rusland echter al enige tijd zeldzamer is dan een niet brandende Deense vlag in het Midden-Oosten zal dit schandaal echter hoogstwaarschijnlijk een stille dood sterven.

En deze praktijken zijn slechts het topje van de ijsberg: zo is het bijvoorbeeld bon ton voor Russische officieren om met hun regiment de streek waar ze gelegerd zijn door te trekken en hun manschappen te verhuren aan het bedrijf dat best wel enkele weken goedkope krachten kan gebruiken, het zal wel niemand verbazen dat er af en toe eens een soldaat sterft tijdens deze praktijken.
Dit is slechts één van de vele manieren hoe de officieren een zakcentje bijverdienen.

In 2002 werd het al duidelijk dat er iets niet klopte in het Russiche leger, en de legerleiding maakt inderdaad bekend dat er in de eerste zes maanden van 2002 reeds 185 soldaten zelfmoord hadden gepleegd en er een 2000 tal gedeserteerd waren.
Deze cijfers zijn hoogstwaarschijnlijk met een korrel zout te nemen en de zaak is waarschijnlijk minder schrijnend voorgesteld dan ze werkelijk is.

In 2004 trok de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch aan de alarmbel en waarschuwde ze de wereld dat het zo niet verder kon in het Russisch leger, dat er elk jaar duizenden nieuwe rekruten in het Russisch leger systematisch gepest en uitgebuit werden, wat tevens elk jaar leidde tot tientallen doden.
In datzelfde jaar publiceerde Anna Politkovskaja haar boek: “Poetins Rusland”
Deze Anna P. krijgt internationale erkenning voor haar poging tot objectieve verslaggeving over Rusland en werd ondermeer wereldwijd bekend toen ze op weg naar Beslan om daar over het gijzelingsdrama te gaan verslaggeven, werd vergiftigd.
Deze dame schrijft in haar boek over het échte Rusland waarbij ze heel Rusland is rond getrokken om getuigenissen van moeders wiens zonen verdwenen zijn in het Russische leger in haar boek te verwerken.

Ze begint haar boek met de volgende beschrijving van het Russische leger: “De burgerlijke autoriteiten hebben hier geen controle over wat het leger uitvoert. Een soldaat behoort tot de laagste kaste in de hiërarchie. Hij is niemand, hij is niets. Achter de betonnen muren van een militaire barak kan een officier met een soldaat doen wat hij wil.”

Het wordt dringend tijd dat men in het Westen de ogen gaat opendoen voor wat er in Rusland aan het gebeuren is. Mensenrechten worden er met een verbazingwekkende snelheid en op een alarmerende grote schaal overboord gegooid.
Uiteraard zal er niks gebeuren zolang de publieke opinie hier niet om vraagt. Het is dan ook noodzakelijk om grote aandacht te schenken aan de weinige berichten en werken die erin slagen de censuur van Poetin te ontwijken en door te sijpelen in onze media.

Maarten M

POLITKOVSKAJA A. Poetins Rusland. Londen, 2004, 350p.

zondag, februari 05, 2006

Responsabiliseren












Responsabiliseren

Onlangs werd bekend dat maar liefst drie vierde van de Vlaamse jongeren niet op de hoogte is van hoe je nu precies AIDS kan oplopen. Een belabberd resultaat, eerst en vooral rekening houdend met het feit dat deze ziekte voor een enorme problematiek in andere werelddelen verantwoordelijk is, en ook in ons continent de mogelijkheid bestaat dat ze dergelijke verwoestende proporties zou kunnen aannemen. In tweede instantie gezien het feit dat er op zeer grote schaal aan campagnes is gedaan de afgelopen jaren, alsook met het feit dat lessen betreffende seksualiteit vandaag de dag in alle scholen aan bod komen, waarbij inlichtingen over de soa’s een hoofdrol spelen.
Inspanningen, in de vorm van campagnes, werden er dus zeker al heel veel genomen. Inspanningen die echter duidelijk niet geholpen hebben. Toch was de eerste reactie op deze zorgwekkende cijfers vanuit de overheid dat er nog meer en hernieuwde inspanningen zouden gedaan worden om de jeugd in te lichten. Nieuwe campagnes dus. Terwijl deze nu net niet effectief genoeg bleken te zijn.
Het verspreiden van informatie over een letterlijk en figuurlijk doodernstige problematiek als AIDS, gebeurt met een gelijkaardig medium als waarbij men mensen coca-cola of pepsi wil doen drinken en een bepaald gsm-merk wil doen kopen. Zijn reclamecampagnes het antwoord wanneer het over dergelijke zaken gaat? Kunnen we jongeren duidelijk maken hoe ernstig het AIDS probleem is, alsook hen inlichten over hoe ze deze ziekte kunnen oplopen en dus moeten proberen te voorkomen, op eenzelfde manier als waarop men ze om hun consumptiemogelijkheden probeert te strikken? Het antwoord kan toch niet anders zijn dan neen. Zeker in het licht van deze nieuwste gegevens.
Promotiecampagnes kunnen duidelijk de rol niet spelen die van ze verwacht worden in dergelijke gevallen. Het algemene doel, alsook van een dergelijke campagne, zou het responsabiliseren moeten zijn, terwijl dit met een medium gebeurt dat hiertoe niet in staat blijkt te zijn bij deze doelgroep.
Een nieuwe aanpak is dan ook nodig. Responsabiliseren en duidelijk maken dat het een ernstige aangelegenheid betreft is misschien niet zo hip, maar we moeten prioriteiten durven stellen en wanneer het dergelijke cruciale potentieel toekomst hypothekerende zaken betreft mogen we er niet van terugschrikken “onhip” te zijn en ook effectief een kat en kat te noemen. De hedendaagse jongeren dus duidelijk op hun verantwoordelijkheden wijzen. Hoe we dat echter moeten aanpakken is een veel breder maatschappelijk probleem. Onderwijs kan vaak haar rol in deze niet langer op een efficiënte manier vervullen. Het is vandaag de dag echter lang niet zo slecht gesteld met de jongeren als velen mogen beweren. Het feit dat ze misschien niet weten hoe ze AIDS kunnen oplopen wil niet zeggen dat ze losbandig zouden zijn. Indien men ze op school op een volwassen manier kan benaderen en deze, of gelijk welke zaak of problematiek, met hen op een duidelijke manier kan behandelen kunnen we de jeugd zeker en vast responsabiliseren in plaats van hen op een “hippe”, daartoe weinig efficiënte manier te benaderen. Onderwijs speelt daarin, alsook in de algemene opvoeding van de jeugd, een grote rol waarbij we ernstig moeten nadenken op welke manier we dit willen aanpakken. Het responsabiliseren en het wijzen op de verantwoordelijkheden die men draagt mag daarbij zeker niet ontlopen worden.

Pieter M

woensdag, januari 11, 2006

Napoleon














Napoleon

Napoleon Bonaparte was de militaire tacticus die er in slaagde, in de chaos die na de Franse Revolutie was ontstaan, alle macht uiteindelijk naar zich toe te trekken. Hij wist zichzelf tot keizer van Frankrijk te kronen en heerser over zo goed als geheel Europa te worden. Hij kon zijn macht echter, om meerdere uiteenlopende redenen, niet consolideren en eindigde op een klein eilandje in de Stille Oceaan.
Een uiterst romantisch verhaal dat uiteraard vandaag nog steeds tot de verbeelding spreekt.
Napoleon Bonaparte is dan ook een van de meest besproken historische figuren. Op Jezus Christus na, werd over de man die van generaal tot Frans keizer en heerser van Europa opklom, het meest boeken geschreven.
Veel vaker dan de historische figuur is het echter de mythe Napoleon die als onderwerp voor deze werken geldt.
De romantisering van de eerste Franse keizer werd voor het eerst op grote schaal gecreëerd - een ware mythevorming was het gevolg - door de neef van Napoleon halverwege de 19e eeuw. Dit om steunend op die gecreëerde populariteit het keizerrijk opnieuw in te kunnen stellen.
Als een soort van tegenreactie was de serieuzere historische literatuur over de figuur Napoleon Bonaparte hierdoor zeer vaak een, terecht, neerhalen van deze mythevorming.
Een gevolg hiervan was echter ook dat de historische figuur Napoleon Bonaparte vaak ten onrechte overdreven hard werd aangepakt.

Paul Johnson schreef in 2002 een werk over Napoleon, simpelweg Napoleon getiteld. (Paul Johnson, Napoleon, Van Haleweyck, Leuven, 2002, 192 p.) Johnson is een gerenommeerd Brits conservatief historicus die vele werken op zijn conto heeft en als auteur regelmatig voor de The New York Times, The Wall street Journal en The Spectator schrijft.
In zijn zogenaamde biografie over Napoleon Bonaparte begaat deze historicus echter dezelfde fout als zo velen. Johnson bekijkt enkel de ophemelende mythe die omtrent Napoleon gecreëerd is en vervangt die in een vlammende aanval door een negativistische mythe. In zijn werk komen zo goed als alle klassieke aanvallen op de figuur Napoleon Bonaparte aan bod, die van deze figuur de eerste tiran en gelijke van Hitler, Stalin en dergelijke 20e eeuwse massamoordenaars maakte.
Aan de hand van Johnson’s werk en de daarin gestelde zaken wil ik hier graag een kort overzicht geven van de manier waarop de historische figuur Napoleon ten onrechte wordt aangepakt.

Paul Johnson begint zijn biografie van Napoleon met de mededeling dat een van de doelstellingen in zijn werk het aantonen is van het feit dat Bonaparte geen ideoloog was maar een opportunist. Een opportunist die de toevallige omstandigheden van de Franse revolutie aangreep om hemzelf de hoogste macht te bezorgen. Hiermee is meteen de toon gezet voor het ganse werk van Johnson.
Johnson maakt meteen duidelijk dat hij de mens achter de mythe zoekt. Een goed standpunt voor een biografie, ware het niet dat het al meteen lijkt alsof het eerder zijn doelstelling is Bonaparte te ontmaskeren om zijn ware gelaat, dat Johnson duidelijk niet kan appreciëren, aan te tonen. Meer zelfs, Johnson acht Bonaparte al meteen aan het begin van zijn werk verantwoordelijk voor heel wat mindere aspecten uit de twintigste eeuw. Concluderend in zijn voorwoord stelt hij dat:”Wanneer we aan het begin van de eenentwintigste eeuw de tragische fouten van de twintigste willen vermijden, [we] moeten [leren] van Bonaparte’s leven wat we te vrezen en te vermijden hebben.”
Sterke uitspraken.

In het eerste hoofdstuk bespreekt Johnson de Corsicaanse achtergrond van Bonaparte.
Johnson schetst een algemeen beeld van de situatie op Corsica en van de invloed die deze gehad zou hebben op Bonaparte. Volgens Johnson was Bonaparte geen ware Corsicaan en wou hij er dan ook zo spoedig mogelijk weg. Corsica zou te klein geweest zijn voor zijn ambities. Het was volgens Johnson ook duidelijk dat Bonaparte een bittere herinnering had overgehouden aan het eiland van zijn geboorte en dat hij de gedachte eraan uit zijn hoofd wilde bannen. Bonaparte hield aan het gebeuren echter wel iets belangrijks over volgens Johnson, namelijk een model voor het soort macht waar hij op uit was. Paoli, de krijgsheer die tijdens de jaren dat Bonaparte op Corsica woonde een vrijheidsstrijd leidde vanuit het ongecontroleerde binnenland, was zijn vijand, maar hij bleef in zekere zin zijn held en leraar, aldus Johnson. Want Paoli was volgens Johnson niet een krijgsheer, of in elk geval niet alleen een krijgsheer, zoals al zijn voorgangers in de strijd om onafhankelijkheid dat geweest waren. Hij was een man van de Verlichting die met Jefferson, Adams en Washington aan de andere kant van de oceaan, met Burke en Fox in Engeland en Lafayette in Frankrijk, geloofde dat revolutie en gewapende strijd niets anders waren dan het noodzakelijke voorspel voor de schepping van een sociale republiek, voorzien van een ideale grondwet. Het feit dat Johnson Paoli omschrijft als een man van de Verlichting, hem vergelijkt met mensen als Jefferson en Washington, kan best wel een juiste vergelijking zijn. Maar wanneer hij Bonaparte als iemand die deze man als zijn voorbeeld nam omschrijft is dat een contradictie op hetgeen Johnson in zijn voorwoord en ook verder in zijn werk vermeld. Johnson noemt Bonaparte namelijk een opportunist. Verder in zijn werk vermeld Johnson dat Bonaparte niet in staat was een rijk op langere termijn te besturen. Dat er weinig succesrijkere mensen zijn geweest met een nog lichtere ideologische bagage. En dat de enige taal die hij sprak die van het geweld was. Een heel ander beeld van een persoon die volgens hem zijn voorbeeld vond in een persoon die gewapende strijd slechts als voorspel zag voor de schepping van een sociale republiek met grondwet.

In het volgende hoofdstuk gaat Johnson verder op zijn elan. Voor Jonhson was Bonaparte niets meer dan de vleesgeworden opportunist. Het revolutionaire Frankrijk van de jaren negentig van de achttiende eeuw vormde de perfecte omgeving voor een ambitieuze, politiek bewuste en energieke soldaat als Bonaparte om zijn weg naar de top te vinden. Bonaparte werd begunstigd door de fortuin en door het verloop van de parabool in de tijd, en hij bekrachtigde zijn geluk met de alerte besliste manier waarop hij zijn kansen greep wanneer die zich voordeden. Een overzicht van zijn klim van generaal tot consul tot keizer word weergegeven zonder andere informatie dan de klassieke zaken. Toch word Bonaparte’s spectaculaire klim naar opperste macht gerelativeerd. Volgens Johnson had het gunstige klimaat in Frankrijk namelijk nooit ontstaan ware het niet voor de weinig daadkrachtige koning Lodewijk XVI. Als Lodewijk XVI wat energieker en besluitvaardiger was geweest, zou volgens Johnson Frankrijk hetzelfde patroon gevolgd hebben van geleidelijke hervormingen die op dat moment in Europa en Amerika plaatsvonden. En dan zou er nooit een Franse Revolutie plaatsgehad hebben, en nooit een Napoleon hebben opgestaan. Johnson sluit dit hoofdstuk overigens af met de vermelding dat zelfs volgens de smerige maatstaven van de revolutionaire staatsgreep, de putch van de achtiende Brumaire ( november 1799) een vuil zaakje was, omdat iedere betrokkene bereid was alle anderen te verraden en niet één van hen trouw bleef aan wat hij gezworen had. Het bestaan van de putch waarin dit dan wel het geval geweest mocht zijn moet Johnson dan maar eens voorleggen. De putch van de achtiende Brumaire was in tegenstelling tot zowat alle anderen, inclusief de eerdere tijdens die woelige jaren in Frankrijk, relatief bloedeloos verlopen. Het lijkt er dus sterk op dat Johnson ze dan maar ‘een vuil zaakje’ noemt bij gebrek aan ergere termen.

In het derde hoofdstuk bespreekt Johnson de militaire capaciteiten van Bonaparte. Hij noemt Bonaparte in de allereerste plaats een militair, een soldaat, een generaal, een legerbevelhebber en dodelijke vernietiger van het militaire vermogen van zijn tegenstander. Sneller dan wie ook voor hem verplaatste Bonaparte grote legers door Europa. Hij was daar volgens Johnson in de eerste plaats toe in staat door zijn vaardigheid in het lezen van kaarten op grote en kleine schaal en de snelste en veiligste routes te kiezen. Dan toch nog een positieve eigenschap aan Bonaparte blijkbaar. Johnson ziet verder een deel van Bonaparte’s succes voortkomen uit het feit dat zijn troepen hun belangen en hun toekomst vereenzelvigden met die van Bonaparte en, zo vermeld hij, hoe lager hun rang des te groter hun vereenzelviging. Dit heeft voor Johnson iets raadselachtig. Verliezen lieten Bonaparte namelijk koud zolang hij zijn doelen maar bereikte. Johnson illustreert dit met het voorbeeld dat Bonaparte in 1812 tegen Metternich zei, tijdens een woordenwisseling over de toekomst van Europa die een dag lang duurde, dat hij bereid was een miljoen mannen op te offeren om zijn heerschappij veilig te stellen. Wat verder geeft Johnson echter zelf de verklaring voor zijn ‘raadselachtige feit’. De Franse natie stond in de napoleontische tijd (1800-1814) namelijk als een man achter het leger, op een manier die in deze periode in geen enkel ander Europees land mogelijk zou zijn geweest volgens Johnson. Het leger was de belangrijkste instelling van de staat – het was de staat, in zekere zin – en de soldaten wisten dat, aldus Johnson.
Vooral bij de vele manschappen die Bonaparte de dood instuurde blijft Johnson stilstaan. Napoleon werd nimmer ter verantwoording geroepen voor (deze) deserties of voor verliezen aan Franse troepen, die gemiddeld 50000 doden per jaar bedroegen. Ter vergelijking, stelt Johnson: in zijn zesjarige oorlog tegen Napoleon op het Iberische schiereiland bedroegen de totale verliezen van Wellington, inclusief deserteurs, 36000 man oftewel 6000 per jaar. De verklaring hiervoor is volgens Johnson dat Bonaparte zijn macht direct was, niet gedelegeerd zoals die van de meeste opperbevelhebbers, en het was een macht zoals nooit eerder door een heerser te velde uitgeoefend, volgens Wellington. De twee vergelijkingen die Johnson hierboven maakt tussen de situatie van Bonaparte en Wellington zijn uiteraard te begrijpen, daar Wellington zowat de enige bevelhebber op dat moment was die zich kon meten met Bonaparte en hem zelfs versloeg te Waterloo. Johnson gaat echter zeer ver in deze vergelijkingen en laat daarbij geen enkele twijfel bestaan over welke historische figuur zijn voorkeur geniet. Het mooiste voorbeeld hiervan vinden we terug wanneer Johnson verklaart waarom Bonaparte zijn hoed in de breedte op zijn hoofd droeg: “Maar terwijl Bonaparte zijn hoed in de breedte op zijn hoofd zette, droeg Wellington de punten naar achteren en naar voren. Waarom? Wellington tilde zijn hoed graag op, uit beleefdheid en om een groet te beantwoorden. Bonaparte nam zijn hoed zelden voor iemand af.”
Johnson sluit zijn hoofdstuk af met een citaat uit de autobiografie van de hoofdredacteur van de Examinator, een Engels tijdschrift ten tijde van de beschreven gebeurtenissen. Het citaat bespreekt de toenmalige situatie te Europa. “Het is een treurige tijd voor de machthebbers van de wereld als zij zich genoodzaakt achten hun toevlucht te nemen tot het treurige gedrag van de machteloze; de kant van een vijand te kiezen, tegen een vriend; op bevel van die eerste beschuldigingen tegen de laatste te steunen; door geen van beide partijen meer geloofd worden…” Het citaat had er net zo goed een van Johnson zelf kunnen zijn, ze geeft duidelijk zijn visie weer omtrent de toenmalige situatie.

In het hoofdstuk dat als titel het gebarsten en broze keizerrijk draagt stelt Johnson meteen al duidelijk dat de feiten erop wijzen dat Bonaparte een groot generaal was maar dat hij niet in staat was een rijk op langere termijn te besturen. Johnson speculeert dat als Bonaparte misschien eerder getrouwd was (sic), en met een vruchtbare vrouw, en kinderen had voortgebracht die hem hadden kunnen bijstaan en opvolgen, die hij had kunnen vormen als heersers, dan zou hij het keizerrijk hebben gezien als een investering voor de lange termijn en zou hij het dienovereenkomstig behandeld, verzorgd en gekoesterd hebben.
Het grote probleem van het Napoleontische keizerrijk was volgens Johnson dat het niet beschikte over een natuurlijke, zelfs niet over een kunstmatige hiërarchie. Aan de top, onder Bonaparte, zaten volgens Johnson drie sleutelfiguren. Naast Berthier (de chef-staf tot 1814) waren deze drie Talleyrand, Fouché en Denon. Naast het feit dat dit een zeer vreemde analyse is van wie de machtigste figuren binnen het keizerrijk waren begint Johnson vergelijkingen te maken tussen deze personen en figuren uit de twintigste eeuw. Fouché noemt hij, als leider van de eerste geheime politie, de voorloper van Himmler. Denon is de voorloper van Goebbels en Speer omdat hij verantwoordelijk was voor het creëren van Bonaparte’s imago van culturele weldoener. Indien goed onderbouwd misschien in zekere zin wel juiste vergelijkingen, maar zeker niet toevallig gekozen. Doorheen heel zijn werk blijft Johnson Bonaparte vergelijken met Hitler. Wanneer hij het heeft over het feit dat Bonaparte niets moest weten van vrouwen die zich met politiek bemoeiden vermeld hij dat zijn houding dicht stond bij de Kirche-Küche-Kinder-opvatting van Hitler. Dat het gebrek aan vrouwen in de politiek ten tijde van Bonaparte een algemeen feit was en dus helemaal geen discriminerende gedachte van Bonaparte alleen kan Johnson toch onmogelijk ontgaan zijn? Verder zijn sommige van de vergelijkingen die hij maakt tussen Bonaparte en Hitler gewoon lachwekkend. Zo laat hij weten dat de uitbarstingen van woede waar Bonaparte soms last van had later de specialiteit van Hitler zouden worden, die er zijn gesprekspartner en de omstanders angst mee wilde aanjagen.
Maar niet alleen met Hitler vergelijkt Johnson het hoofdpersonage van zijn werk, alle twintigste eeuwse dictators zijn volgens hem de geestelijke kinderen van Bonaparte. Zo vermeld Johnson dat we in elke dictator van de twintigste eeuw, van Lenin, Stalin en Mao Zedong, tot dwergtirannen als Kim Il Sung, Castro, Peron, Mengistu, Saddam Hussein, Ceaucescu en Khadaffi, duidelijke kenmerken van het prototype Napoleon terugvinden.
Wanneer Johnson in dit hoofdstuk uitgebreid stilstaat bij het feit dat zovele kunstenaars en intellectuelen ten tijde van Bonaparte deze man verheerlijkt hadden verwijst hij naar het feit dat ook tijdens de twintigste eeuw grote denkers deze dwalingen hadden gekend. Johnson noemt George Bernard Shaw en Beatrice en Sidney Webb die misleid werden door de beeldvorming rond Stalin, Norman Mailer en anderen die Fidel Castro vereerden, en een hele generatie, onder wie veel Fransen als Jean-paul Sartre, die vol lof uitten over Mao Zedong, onder wiens bewind 60 miljoen Chinezen omkwamen van de honger of in kampen.
Het feit nu dat Bonaparte zijn rijk zo broos was, was volgens Johnson duidelijk enkel en alleen aan hemzelf te wijten. De maarschalken, de keizerlijke elite bij uitstek, vormden volgens Johnson een merkwaardige verzameling oude ijzervreters, romantici, waaghalzen, geboefte, opportunisten en cynici. Maar allen waren bijna zonder uitzondering dappere mannen in Johnson’s ogen. De fout bij het uitkiezen van zijn elite was echter dat Bonaparte allemaal minderwaardige mannen had gekozen volgens Johnson. Weinigen van hen bezaten namelijk een onafhankelijke geest en daarin school hun zwakte. Het waren, bijna zonder uitzondering, ondergeschikten. Uit goed hout gesneden dus, maar volgens Johnson niet goed uitgekozen door Bonaparte…
Ook de familie van Bonaparte kan volgens Johnson niets verweten worden. Sommigen waren volgens hem beter dan anderen, maar toch, geen al te negatieve woorden. Zijn jongste broer Jêrome, benoemd tot vorst over het hachelijk kunstmatige koninkrijk Westfalen, deed zelfs nog zijn best zich te kwijten van een onmogelijke opdracht in de ogen van Johnson. Een heel ander verhaal dan bijvoorbeeld in de biografie van Napoleon door Presser (Presser, Napoleon, 1978, p. 97-133). In een apart hoofdstuk over de clan Bonaparte laat hij er geen twijfel over bestaan, de broers en zussen Bonaparte wilden delen in de rijkdom en macht van hun broer. Constant vroegen ze om meer, wat hun broer Napoleon hen ook gaf. Hij plaatste ze stuk voor stuk op tronen, stuk voor stuk plunderden ze mee het rijk. Steeds waren hun capaciteiten niet toereikend voor hetgeen ze opgedragen waren.
Het is zeker een feit dat deze vaak nieuw gevormde koninkrijkjes in feite niet levensvatbaar waren, de mate waarop het keizerrijk constant nieuwe manschappen en geld nodig had deed hier zeker geen goed aan. Maar Presser stelt dat elke Bonaparte evenveel plunderde voor eigen zaak als Napoleon dat deed.
Een minder flatterend beeld dus van diegenen die volgens Johnson zich zo goed als mogelijk probeerden te kwijten van wat hen opgedragen was door hun broer.
Concluderen doet Presser net als Johnson door te stellen dat de schuld van de slechte organisatie van zijn rijk bij Napoleon zelf lag. Presser verduidelijkt hierbij echter dat niemand anders dergelijke minderwaardige personen had aangesteld om het keizerrijk te leiden. Familie en zaken gingen blijkbaar ook toen al niet goed samen.

In het hoofdstuk de dodenakkers van Europa bespreekt Johnson de (eerste) ondergang van Bonaparte. Ook hier maakt hij meteen zijn visie duidelijk. De ondergang van Bonaparte vond volgens hem in de allereerste plaats zijn oorzaak in de onwil van de Britten om zijn veroveringen te accepteren en te wettigen door een algemeen vredesverdrag. Zoals hij reeds eerder duidelijk maakte in het citaat uit de autobiografie van de hoofdredacteur van de Examinator vind hij het gedrag van de Europese machthebbers ten opzichte van Bonaparte en ook ten opzichte van Engeland zeer laag en zielig. Het is duidelijk dat Johnson meent dat de Britten de enigen waren die niet hadden gekropen voor Bonaparte. En toen genoeg genoeg was hebben ze toen volgens hem maar eens beslist dat het gedaan moest zijn met de dictator die het vasteland in zijn wurggreep hield.
Zelfs Johnson kan er echter onmogelijk naast kijken dat andere zaken (ook) aan de ondergang van het rijk van Bonaparte hebben gelegen. Het niet slagen van het Continentale stelsel zorgde ervoor dat de Britse economie geen doodslag toegediend kon worden en was een eerste deuk voor Napoleon. Ook vooral omdat het onenigheid veroorzaakte binnen zijn rijk en met bondgenoten (cf. Rusland). Voor de economie op het vaste land betekende het in vele sectoren echter een groei daar goedkopere Britse producten de Europese markt nu minder gemakkelijk konden bereiken.
De oorlogen met Spanje en Rusland waren een indirect gevolg van het falen van de Continentale Blokkade. Beide leefden het namelijk niet na. Johnson ziet echter nog een tweede reden voor de oorlog tegen Rusland. Bonaparte vond volgens hem dat hij nog niet klaar was met tsaar Alexander. Hij had in Tilsit een akkoord met hem gesloten en sprak hem aan als ‘vriend’, een term die hij nooit gebruikte in verband met de keizer van Oostenrijk of de koning van Pruisen. Maar hun verhouding kwam, volgens Johnson, naar Bonaparte’s smaak te dicht in de buurt van gelijkheid.
Johnson had er reeds op gewezen dat Bonaparte zich sneller dan wie ook voor hem verplaatste met zijn grote legers door Europa. Hij was daartoe in de eerste plaats in staat door zijn vaardigheid in het lezen van kaarten op grote en kleine schaal en de snelste en veiligste routes te kiezen. Nu hij in zowel Spanje als in Rusland echter op voor hem andere en onbekende grond kwam was dit voordeel verdwenen, en daarmee volgens Johnson dus ook de mogelijkheid van Napoleon om de overwinning te behalen.
Feiten die genuanceerd moeten worden aangezien Bonaparte pas heel op het laatst zichzelf in Spanje ging bemoeien met de strijd. Daarnaast was de strijd er daar veeleer een die we vandaag de dag met guerrilla zouden vergelijken. Een soort gevecht waartegen zeker Bonaparte zijn manier van strijden niet opgewassen was. In Rusland was het uiteindelijk ook eerder het feit dat er op een andere manier gestreden werd, en dan vooral de afhandeling van de strijd, die Bonaparte de das omdeed. Bonaparte was namelijk gewend een grote veldslag te winnen, dichter naar de hoofdstad van het aangevallen rijk te trekken om uiteindelijk aan tafel te gaan zitten voor vredesonderhandelingen. Met de Pruisen had hij het zo gedaan, met de Oostenrijkers ook en in de rest van het nieuw door hem veroverde rijk eveneens. In Spanje echter bleven kleine eenheden (vaak onder leiding van de Britten) verder vechten tegen zijn troepen, om zich dan vlug weer terug te trekken, lang nadat de broer van Bonaparte op de Spaanse troon in Madrid zat. Ook in Rusland wist Bonaparte Moskou binnen te trekken. Wachtend op een teken van de tsaar, om de vredesonderhandelingen aan te vatten, dat er niet kwam besloot hij uiteindelijk dat er niets anders opzat dan terug te keren, wat zijn uiteindelijke ondergang betekende. “All’s faire in love and war” gaat het spreekwoord, dus noch de Spanjaarden noch de Russen kunnen iets verweten worden. Toch waren het handelingen die Bonaparte daar voor het eerst tegenkwam en waar hij geen rekening mee hield. Een gewonen beslissende veldslag betekende een overwinning in zijn ogen, en ook in de ogen van al wie hij overwonnen had. En dit terwijl het dat eigenlijk helemaal niet hoefde te betekenen, zoals in Spanje en Rusland bewezen werd.
Is er met Bonaparte een einde gekomen aan een zekere set van regels bij het oorlogvoeren? Aan een zekere tijdsgeest op dat gebied?
Johnson ziet echter het einde van een andere tijdsgeest als finale reden van de ondergang van Bonaparte. De jonge Bonaparte werd volgens hem namelijk gezien als een romantisch figuur. Maar dat was een oppervlakkig oordeel over een slanke jongeman die opmerkelijke daden had verricht. De rijpe Bonaparte, stevig en heerszuchtig, met zijn veelgeroemde cultus van de ratio in alle dingen, met zijn dogmatische voorkeur voor ‘le goût roman en le style empire’, geëxporteerd naar alle streken waar zijn soldaten hun bajonetten lieten zien, werd door de intelligentsia steeds meer gezien als een ouderwets reliek van een stoffig classicisme dat zijn tijd had gehad en als een onverzoenlijke tegenstander van de ontwakende romantiek die zijn tirannie had opgeroepen. De nieuwe geest die het enthousiasme van de jeugd opwekte, kwam volgens Johnson uit het noorden en schoot daarom het eerst wortel in Engeland en Duitsland. Johnson ziet het niet langer ‘in de mode’ zijn van de idee over Bonaparte dus als de finale reden van zijn ondergang. Of de nieuwe ideaalbeelden het gevolg waren van zijn geleidelijke ondergang, of omgekeerd, en wat aan de basis van die veranderingen zou liggen laat Jonhson onaangeraakt.

In het voorlaatste hoofdstuk bespreekt Johnson Elba en Waterloo. Als pleister op zijn gewonde trots werd Bonaparte aangesteld als de facto bestuurder van Elba, onder toezicht van de geallieerden. Zijn officële titel was ‘keizer en heerser over Elba’. Johnson doet lacherig over het feit dat Bonaparte een nieuwe vlag voor zijn eiland ontworpen had, het hele eiland en zijn instellingen hervormde, er een economie op gang probeerde te brengen,... Volgens hem was het een grote grap. Zoals hij stelt:”je vermoedt het sluwe gevoel voor humor van Talleyrand. Bonaparte had het niet door.” Johnson kan Talleyrand, de man die zijn mening even vlug kon aanpassen aan die van de persoon die hem het meest kon opleveren als een kameleon van kleur, best wel hebben. De reden waarom Bonaparte uiteindelijk terug zijn kansen kwam wagen op het vaste land was volgens Johnson bij de Bourbon’s, die terug op de Franse troon zaten, te vinden. Hun krenterigheid was er het gevolg van dat Bonaparte geld tekort kwam om zijn nieuw keizerrijkje te herorganiseren. Jonhson ziet hier de fout en is ervan overtuigd dat Talleyrand die fout ook inzag. De krenterigheid was volgens Jonhson namelijk niet alleen onterecht, het was, zoals Talleyrand volgens hem gezegd had kunnen hebben, een fout. Dat Johnson Talleyrand eerder een van de drie pijlers noemde waar het rijk van Bonaparte op steunde lijkt vergeten. Talleyrand werd dan ook niet vergeleken met iemand uit de Hitler entourage, alhoewel er vast wel iemand uit de groep die de mislukte aanslag op de führer organiseerde toen alles fout begon te lopen, aan de omschrijving zou kunnen voldoen.
Desalniettemin zou Bonaparte volgens Johnson, indien hij een royaal pensioen had gekregen, naar alle waarschijnlijkheid op Elba gestorven zijn, spelend met zijn miniatuurleger.
Over de weg van Elba naar Parijs maakt Johnson niet teveel woorden vuil. Veel belangrijker voor hem is Waterloo, het moment van de definitieve ondergang. Bij het definitieve treffen tussen Bonaparte en Wellington is de eerste benadeeld volgens Jonhson door het feit dat hij Wellington onderschat als tacticus op het slagveld. Wanneer zijn maarschalken de hertog prezen, antwoordde Napoleon:’Dat is omdat hij jullie allemaal verslagen heeft.’ Wellington maakte, volgens Johnson, op zijn beurt niet de fout Bonaparte te onderschatten. En aldus verloor Bonaparte, en won Wellington.
Johnosn maakt ten slotte nog zeer duidelijk dat indien deze gebeurtenissen zich aan het begin van deze eeuw afgespeeld zouden hebben, Bonaparte zich zonder twijfel zou hebben moeten verantwoorden voor een tribunaal voor oorlogsmisdaden, met als onvermijdelijke uitspraak ‘schuldig’, en een doodsvonnis of levenslang ten gevolge.
Daarmee verduidelijkt Johnson nogmaals zijn eigenlijk visie op Bonaparte. Een oorlogsmisdadiger, de eerste dictator, de voorloper van alle twintigste eeuwse massamoordenaars.
Is Bonaparte echter werkelijk over dezelfde kam te scheren als iemand als Hitler. Hij was een krijgsheer, hij zond duizenden mensen de dood in op het slagveld. Maar waren zijn praktijken op het slagveld anders dan die van de legers waartegen hij streed? Zeker en vast niet. Wellington had inderdaad minder slachtoffers onder zijn troepen, hij beschikte dan ook over minder troepen en voerde strijd op veel minder fronten.
Bonaparte zijn veroveringsdrang, naar het einde toe, blinde veroveringsdrang heeft inderdaad vele mensen de dood gekost die niet hadden moeten sterven. Hem vergelijken met de legers waartegen hij streed kan inderdaad moeilijk door de grotere aantallen die hij opofferde aan de kanonnen. Maar een oorlogsmisdadiger avant-la-lettre was hij zeker niet. Wreedheden en genociden waren er niet bij. De doden die hij op zijn geweten heeft waren er grotendeels die binnen de regels van de oorlogvoering stierven, ook al waren het er bij hem veel meer dan ooit voorheen.

In het laatste hoofdstuk van zijn biografie van Bonaparte bespreekt Johnson het lange afscheid van Sint-Helena en wil hij de plaats van waar volgens hem de mythevorming ontstond tackelen. Om te beginnen rehabiliteert hij de gouverneur van het eiland, die tevens de spreekwoordelijke cipier van Bonaparte was. Hudson Lowe was volgens Johnson niet de slechte man die Bonaparte pestte op elke mogelijke manier zoals de Napoleonlegende zou beweren. Eerder was het een saaie, koppige, plichtsgetrouwe, uiterst nauwgezette, goed bedoelende, eerlijke, zenuwachtige en al te scrupuleuze man. Bonaparte was het daarentegen volgens Johnson die kleinzielig was en vaak ruzie maakte. Eigenlijk hebben de beide heren elkaar slechts enkele malen gezien tijdens hun gezamenlijk verblijf op Sint-Helena, zoals ook Johnson weergeeft.
Bij de dood zelf van Bonaparte wil Johnson ook uitgebreider stilstaan omdat deze een deel werd van zijn mythe. Johnson vermeld dat de conclusie van drie van de vier lijkschouwers was dat Bonaparte stierf aan een kankerachtig gezwel of carcinoom in zijn maag, en dat ze tot deze conclusie kwamen zonder te weten dat de vader van de dode door dezelfde ziekte geveld was.
Zonder dat er daarom geloof gehecht moet worden aan complottheorieën en dergelijke moordverhalen had Johnson toch best wel het verhaal van de vierde lijkschouwer kunnen doen. In plaats daarvan vind Johnson het blijkbaar meer nodig de mythe van Bonaparte te ontkrachten aan de hand van uitgebreide beschrijvingen over diens staat bij overlijden. Zo had zijn lichaam, aldus Johnson, het bleekroze, spekachtige voorkomen gekregen dat in zijn laatste levensfase zo kenmerkend werd en dat mensen de vergelijking met een Guinees biggetje ingaf. Uit het verslag van de autopsie zou hij gehaald hebben dat het lichaam ‘gefeminiseerd’ was, zoals artsen dat noemen – dat wil zeggen bedekt met een dikke laag vetweefsel, vrijwel zonder beharing, met duidelijk ontwikkelde borsten en venusheuvel. De schouders waren smal, de heupen breed en het geslacht was klein. Johnson sluit zijn beschrijving af met de zin:”Wat je hieruit op moet maken, wat de betekenis en de betrouwbaarheid van deze gegevens is, moet iedereen zelf maar beslissen.” Naast de vraag of deze beschrijvingen werkelijk van belang zijn, is het helemaal niet de taak van “iedereen” om op te maken wat dat betekent. De taak van de biograaf is het echter wel. Wat als het ontkrachten van de Napoleonmythe gezien zou kunnen worden, door de menselijke kanten van de mythe te tonen, lijkt hier eerder op en goedkoop rondje ‘Napoleon-bashing’.
Het is daarnaast overigens niet de enige keer dat Johnson bepaalde zaken aan het oordeel van de lezer overlaat die eigenlijk net zijn werk van biograaf zouden moeten uitmaken. Over het feit dat Napoleon zeer actief was, weinig sliep, uren aan een stuk kon vergaderen, een zeer goed inzicht had en meerdere ander zaken die over hem verteld werden heeft Johnson, buiten een vermelding, geen woorden voor. Hij stelt dat de eigentijdse lezer of lezeres zelf maar moet zien wat hij gelooft van wat hij Bonaparte’s opschepperijen noemt en van de beate bewondering van zijn administratieve staf en andere getuigen.
Hoe het echter ook allemaal gelopen mocht zijn, tijdens de jaren na het overlijden van Bonaparte werd de grond rijp gemaakt voor een officiële rehabilitatie, sterker, een verheerlijking. Tussen de werkelijkheid en de mythe in ligt volgens Johnson dan ook de basis die in elke dictator van de twintigste eeuw, van Lenin, Stalin en Mao Zedong, tot dwergtirannen als Kim Il Sung, Castro, Peron, Mengistu, Saddam Hussein, Ceaucescu en Ghadaffi, de duidelijke kenmerken van het prototype Napoleon terug doet vinden.
Eindigen doet Johnson met een moraal-filosofische bedenking waarin hij stelt dat: “We ons weer moeten bewust worden van de centrale les van de geschiedenis: dat alle vormen van grootheid, militair en bestuurlijk, het bouwen van naties en rijken, niets voorstellen – ja dat ze uiterst gevaarlijk zijn – zonder een nederig en boetvaardig hart.”
Het is volgens Johnson echter vooral belangrijk in dit werk goed de herinnering te bewaren aan de man met wie het allemaal begonnen is, om de mythe te onttakelen en de waarheid te onthullen. In deze biografie heeft hij dat zeker en vast gepoogd, zijn overduidelijke afkeur voor Napoleon en bewondering voor al wie hem heeft kunnen tegenwerken was echter geen goede uitgangspositie en maakte van hem niet de ideale persoon om dit doel na te streven.

Napoleon was geen held maar zeker ook geen Hitler, om het met de termen van Johnson te stellen. Hij was geen massamoordenaar, maar een man die aan het hoofd van een zelden gezien groot leger stond. Dat er zoveel mensen stierven kwam door de grote omvang van zijn troepen in de vele oorlogen die hij voerde. We spreken die doden niet goed, maar we moeten het bekijken binnen haar context. Waren die oorlogen nodig? Voor zijn machtspositie, die hij overigens wist op te bouwen dankzij zijn geniaal militair inzicht, waren sommige van die oorlogen dat wel, sommigen waren misschien een stap te ver. Was het nodig in Spanje en Rusland de strijd aan te gaan? Indien we de Continentale Blokkade als essentieel voor zijn machtspositie aanschouwen, dan misschien wel. Aangezien deze twee landen de grote gaten in die Blokkade waren.
Napoleon Bonaparte was echter niet meer dan een mens van vlees en bloed. Een mens die dankzij het lot en zijn eigen kunnen het wist te schoppen tot keizer van Europa. Maar die door zijn fouten, zijn grootheidswaanzin, … kortom zijn menselijkheid, alles terug verloor en zijn leven eindigde op een klein eilandje in de Stille Oceaan.

Pieter M

Meer informatie over Napoleon Bonaparte:
PRESSER(J.). Napoleon. Historie en legende. Amsterdam, 1978, 632 p.

donderdag, december 22, 2005

Een "Huize Europa"










Een “Huize Europa”

Onlangs stond in de krant te lezen dat de bekende auteur Benno Barnard slaags was geraakt op een trein met een andere treinreiziger. Een man van Arabische afkomst weigerde op vraag van de treinbegeleidster zijn sigaret te doven waarop de auteur de sigaret uit de mond van de man haalde. Daarop sloeg de man van Arabische afkomst, die eerder overigens net voor een Congolese vrouw op de grond had gespuwd, hem. Barnard sloeg de man terug en uiteindelijk konden twee andere passagiers de agressieveling in bedwang houden tot de politie hem in het eerstvolgende station kwam ophalen.
De anti-nationalistische Barnard is bestuurslid van Bplus. Een drukkingsgroep die pleit voor een versterkt federaal België. Onder andere Bart De Wever mocht het vorig jaar nog ontgelden vanwege zijn, aldus Barnard, sympathieën voor de minder eerbare aspecten van de Vlaamse ontvoogdingstrijd.
Barnard’s verregaande adoratie voor ons federale systeem lijkt vanwege zijn Nederlandse nationaliteit echter eerder als puur ideologisch dan als emotioneel te verklaren (alhoewel ideologie en emotie vaak bloedverwanten zijn).
In de Huizinga-lezing die hij in 2002 mocht geven, “Tegen de draad van de tijd. De ware aard van Europa” is een beeld terug te vinden van de ideologische onderbouw van deze auteur.
Volgens Barnard stierf het ware Europa in 1914. Het begin van de Eerste Wereldoorlog betekende ook het einde van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie met de Habsburgse keizers aan het hoofd. Voor Barnard is de Donaumonarchie namelijk het ideaalbeeld dat het huidige Europa na zou moeten streven.
Een rijk waar meerdere volkeren en talen in zogenaamd wederzijds respect met elkaar samenleven. Een ideaalbeeld natuurlijk, maar voor Barnard het Europa waar alles zou moeten worden zoals het nooit geweest is.
Zijn Europa verwoordt hij dan ook aan de hand van Roth die zijn vaderland omschreef als:”Mijn oude Heimat, de monarchie, was een groot huis met vele deuren en kamers, voor verschillende soorten mensen. Het huis werd opgedeeld, gespleten, vernield. Ik heb er niets meer te zoeken.” Volgens Barnard een geschikte uitspraak om in Sarajevo of Brussel uit te hangen. Nationalisme is voor hem dan ook de splijtzwam die het grote huis opdeelde waar eens voorheen iedereen onderdak in vond.
Volgens Barnard was het het nationalisme dat een aangenaam en fatsoenlijk samenlevingsmodel wist te verpesten.
In de Donaumonarchie liep heel wat mis, maar dat zou een moderne vorm van rechtsgelijkheid en een dito scheiding van kerk en staat, samen met enkele wijzigingen inzake de positie van de regio’s, volgens Barnard kunnen rechttrekken.
Barnard’s Europa is geen Europa dat naar centralisme neigt, noch een Europa dat enkel een economische samenwerking is. Het is waarlijk een Huize Europa. Een Europa waarin elk volk en elke taal een evenwaardige plaats kent, waarin iedereen zijn eigen kamer heeft, maar waarin iedereen elkaar tegenkomt in de gangen van het grote gemeenschappelijke gebouw.
Samenwonen in een huis kan enkel mits duidelijke afspraken, mits duidelijke regels, en deze kunnen enkel tot stand komen indien er wederzijds respect is.
Waarom het huis afbreken en onderverdelen in appartementen, als we er samen terug een groots en statig huis van kunnen maken. Een Huize Europa.
Hoe we een dergelijk ideaalbeeld moeten concretiseren, zeker binnen de huidige periode van EU-impasse is onduidelijk; dat ze als ideologische onderbouw zou kunnen gebruikt worden om uit deze impasse te komen is in ieder geval niet ondenkbaar.
Ook op vragen over wat Europa precies is geeft Barnard zijn mening weer. Als rode draad in zijn tekst geld de stad Czernowitz. Vandaag gelegen in Oekraïne, maar ooit een stad aan de rand van de Donaumonarchie, niet anders dan Leuven of Maastricht, waar de wereldberoemde econoom Schumpeter doceerde en zijn “Theorie der wirtschaftlichen Entwicklung” schreef.
Onze geschiedenis brengt Huize Europa nu eenmaal, zo omschrijft Barnard op poëtische manier, tot aan de Russische beer en de islam van Attatürk.
Onze geschiedenis is voor Barnard dan ook uiterst belangrijk. Het maakt deel uit van onze Europese beschaving.
Het belang dat hij hecht aan de geschiedenis wortelt dan ook in zijn geloof in de kracht van het conservatisme. Het geheim van de verlossing ligt hem namelijk in de herinnering leerde de talmoed ons al.
Een open visie op Europa, waarbij het verleden de basis vormt van het potentieel voor de toekomst, dit is waar we nu naar moeten streven willen we het project van vrede en welvaart voor ons continent een nieuwe kans geven.

Benno Barnard is een noemenswaardig auteur en dichter maar staat niet bekend als een groots ideoloog. Ook zijn Huizinga-lezing is niet bepaald een politiek traktaat. Toch kunnen we in die tekst van hem heel wat ideologisch krachtige zaken terugvinden.
Wat leren we van Barnard? Dat conservatisme ons doet kijken naar het verleden, dat we uit onze fouten kunnen leren en bij het uitstippelen van onze weg rekening dienen te houden met de reeds afgelegde weg die ons gebracht heeft tot op het huidige punt. Echter evenzeer dat we niet in Roth’s conservatisme mogen vervallen en schreeuwen dat alles dient te blijven zoals het nooit geweest is.
De visie van een Huize Europa mag tevens niet zomaar van tafel geveegd worden. Ze is uiteraard lang niet onderbouwd genoeg om het complexe probleem dat Europa is aan te pakken. Noch diepgaand genoeg om effectief als theorie te dienen voor een alternatieve structuur van onze Europese samenwerking. Maar als onderliggende basisgedachte van de ideologie waarop we ons Europa kunnen creëren kan het Huize Europa-gedachte ongetwijfeld een grote rol spelen.
Als de inwoners van het huis echter geen respect voor elkaar kunnen hebben, als ze niet op een correcte manier met elkaar kunnen omgaan, dan zullen de muren van het huis niet lang kunnen blijven rechtstaan.
Er loopt veel mis rondom ons, maar we blijven de andere kant opkijken. Benno Barnard stond niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk op en reageerde op wat hij rondom hem zag misgaan. Dat dit met agressie gepaard gaat, spreekt weinig goeds over de man, maar hoeveel mensen reageren vandaag de dag nog wanneer hun medemens over de schreef gaat en daarbij vaak anderen kwetst? Het aanspreken van anderen en in contact treden met de medemens, ook het hen verantwoordelijk stellen voor de onaanvaardbare zaken die gebeuren, zijn zaken die we in onze geïndividualiseerde alles-kan-alles-mag-maatschappij verloren zijn.
Laten we ze terug omarmen, daarbij echter steeds wakend voor het verstarrende opgeheven vingertje of nog erger de opgelegde dwang.
De eerste stap naar een Huize Europa ligt namelijk niet alleen aan het Schumannplein te Brussel, maar evenzeer aan het stationsplein van Brussel-Zuid.

Pieter M

woensdag, december 14, 2005

Ngo’s: het nieuwe slachtoffer van Poetin













Ngo’s: het nieuwe slachtoffer van Poetin

Wederom heeft Vladimir Poetin een stukje van de democratie afgeknabbeld en in zijn eigen invloedsfeer gebracht.
Na de media, de jeugdbewegingen enzoverder was het nu de beurt aan de ngo’s (niet-gouvernementele ondernemingen).

De Doema heeft onlangs een wet aangenomen waardoor alle ngo’s in Rusland verplicht zijn zich te laten registreren onder strengere regels. De ngo’s die zich dan volgens de staat met “extremistische” activiteiten bezig houden of eraan gelinkt kunnen worden zullen dan verboden worden om nog langer geld te ontvangen van buiten Rusland.
Een preciese omschrijving van wat die extremistische activiteiten dan wel mogen zijn is echter niet bekend. Hierdoor kan het uiteraard dat bepaalde ngo’s geweigerd zullen worden op basis van een puur politieke motivatie. Met andere woorden, het Kremlin kan voortaan perfect zelf beslissen naar welke ngo’s het geld gaat, waardoor het Kremlin nog maar eens een brokje van de macht naar zich toetrekt.
Hierdoor moeten zelfs vreedzame initiatieven als Human Rights Watch en Amnesty International beginnen vrezen voor hun bestaansrecht in het Rusland van Poetin.

Officieel is deze wet ingediend om een beter zicht te krijgen op alle organisaties in Rusland, waarvan, volgens de regering, een hele pak slechts bestaan om terroristische groeperingen te financieren of geld wit te wassen.
De werkelijke verklaring is dezelfde verklaring als uit mijn vorig werk over Poetin: de vrees van het Kremlin om ook met een revolutie te maken te krijgen zoals in Oekraïne en Kirgistan.
Poetin is er van overtuigd dat deze revoluties er zijn gekomen met steun en (financiële) hulp van buitenaf en is aldus bezig met alle facetten van de macht één voor één op te slorpen.

Een tiental ngo’s hebben wild geprotesteerd tegen deze nieuwe wet die volgens hen in tegenspraak is met een aantal internationale wetten, die ook Rusland ondertekend heeft.
Het was dan ook geen verrassing om onlangs te zien dat het groeiende ongenoegen aan westerse kant over Poetin tot uiting kwam in het rapport van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. Hierin werd gezegd dat de evolutie naar een democratie in Rusland, die na de val van het communisme is ingezet, stilaan niet enkel stil staat maar dat Rusland weer aan de omgekeerde beweging bezig is.

Dit probleem is onlangs ook aangekaart door de wereldberoemde schaker Kasparov in het Europese Parlement.
Deze Kasparov heeft duidelijk een nieuwe hobby gevonden, en is één van de voortrekkers van de weerstand tegen Poetin.

Hij is nu reeds een geruime tijd één van de voortrekkers van het “Commitee 2008: Free choice”. Deze groepering heeft als doel eerlijke verkiezingen in 2008 te bekomen en vreest dat Poetin gewoon als het ware zijn opvolger zal benoemen en dat het dan sowieso deze “kroonprins” zal worden.

In zijn toespraak voor het Europees Parlement wees Kasparov nog maar eens op de gevaarlijke evolutie die Rusland in zijn greep heeft en vroeg om te stoppen met te doen alsof Poetin één van ons is, want hij is het niét. Poetin is géén democraat, dus het is tijd dat het Westen stopt met hem zo voor te stellen.

Het feit dat Kasparov één van de weinige stemmen is die we nog horen is het feit dat het Kremlin niet aan hem durft komen daar hij een nationale held is, hij heeft gouden medailles gewonnen voor zowel de Sovjet-Unie als voor het nieuwe Rusland in een sport die hoog aangeschreven staat in Rusland.

Dat er ook ongenoegen heerst in het Westen werd duidelijk in de manier waarop de G7 Rusland buiten hield bij de samenkomst van de Ministers van Financiën en de centrale bankiers door die niet in Rusland te houden maar deze op het laatste nippertje te verzetten naar Londen.
Desalniettemin is deze maatregel niet genoeg want op andere bijeenkomsten blijft Rusland wel welkom, ondanks hun schaamteloze overtreden van bepaalde democratische basisprincipes.

Alles wat ik hier beschreven heb is slechts een vervolg op mijn vorige tekst waarin ik deze evolutie al beschreef en ervoor vreesde dat deze zich zou verderzetten, het is nu duidelijk dat Poetin inderdaad alles op alles aan het zetten is om ervoor te zorgen dat er geen revolutie komt in Rusland, dat zijn groepering aan de macht blijft, ook na 2008. En dat hij het niet schuwt om beetje voor beetje de democratie te verminderen en meer en meer macht naar zichzelf toe te trekken om dit te bekomen.

Het is dus dringend tijd dat het Westen stopt met Poetin af te beelden als een democraat en hem gaat beschouwen als de persoon die hij werkelijk is: een gevaar voor de democratie in Rusland, en daardoor sowieso voor het Westen. Want het kan niet ontkend worden dat Rusland door zijn demografische voordeel en zijn grondstoffen een (potentiële) grootmacht is.
Als deze dreigt niet langer een democratie te zijn, is het maar normaal dat het Westen dit met argusogen moet volgen en ingrijpen indien nodig.


Maarten M

dinsdag, december 06, 2005

Uitdagingen voor Israël



Uitdagingen voor Israël

Een recente studie van The Economist onderzocht 20 landen uit het midden-oosten, wat betreft de toestand van de politieke en de burgerlijke vrijheden. Israël bleek weer maar eens het meest vrije land te zijn ( haalde 8,20 op een schaal van 10 ). Libië daarentegen, in 2003 nog voorzitter van de zo geroemde VN-mensenrechtencommissie en kampioen in het steunen van VN-resoluties die menserechtenschendingen door Israel aanklagen, sloot de lijst met een score van 2,05.

In maart komen er nieuwe verkiezingen in Israël, belangrijke verkiezingen. Belangrijke verkiezingen omdat Israel in één van de meest cruciale periodes sinds haar ontstaan zit. Er is de dreiging van de Palestijnse terreur en discussie over de mogelijkheid van vrede, de dreiging van Iran dat wellicht aan atoomwapens aan het werken is en waarvan de leider recentelijk nog verklaarde dat ‘Israel van de map moest weggeveegd worden’, er moeten belangrijke keuzes gemaakt worden op economisch vlak en op politiek vlak is de kaart op een paar weken tijd volledig veranderd.

1. De terreur

De terreur blijkt over haar hoogtepunt heen te zijn. Dit is te verklaren door talrijke factoren: De aanpak van Sharon, die systematisch poogt de terreurnetwerken te ontmantelen. Er is de bouw van de muur op de Westelijke Jordaanoever, die ervoor zorgt dat Palestijnse terroristen steeds moeilijker Israel binnenraken. Af en toe lukt het nog, maar dat is dan te verklaren doordat er medewerking is van Israelische Arabieren die terroristen helpen binnensmokkelen in Israëlische wagens door de toegangspoorten. Eén van de uitdagingen in de strijd tegen terreur zal er voor de Israelische beleidsmakers dan ook in bestaan om die ‘smokkel’ tegen te gaan.
Het overlijden van Yasser Arafat zorgde ervoor dat een belangrijke aanmoedigingsfactor uitgeschakeld werd ( Arafat heeft hopen overheidsgeld doorgesluisd naar families van zelfmoordenaars om hen te steunen en de lokale terreurgroepen om ze ‘rustig’ te houden). De voortdurende strijd tegen de Israeli’s zorgde ervoor dat de aandacht weggeleid werd van zijn eigen corrupte beleid, dat reeds in de jaren ’90, toen de Israeli’s de Palestijnse steden niet systematisch binnenvielen en wegversperringen opzetten na een terreuraanslag, zorgde voor een krimpende Palestijnse economie en een toenemende verpaupering van de Palestijnse bevolking.
Verder is er ook de ontruiming van Gaza geweest, die ervoor zorgt dat joodse burgers in nederzettingen ( die ik zelf ook verwerpelijk vind ) niet langer een makkelijk doelwit zijn.

2. Iran

Dit land is mijns inziens een veel grotere existentiële dreiging voor Israel dan de terreur. Als Iran over atoomwapens beschikt, dan zou het met raketten van Noord-Koreaanse makelij ( The axis of evil bestaat echt! ), Israel kunnen treffen. Of het dat zou doen, is niet zeker, maar met een regime dat denkt dat het ‘Allahs wens is dat Israel van de kaart wordt weggeveegd’, kan je maar beter de gok niet wagen. Een andere mogelijkheid is dat Iran die wapens levert aan anti-Israelische terreurgroepen. Iran bewapent nu reeds sinds jaren de Hezbollah, een terreurgroep ten zuiden van Libanon en die smokkelt dan weer wapens in de Palestijnse gebieden. Een paar vuile bommen leveren aan Hezbollah zouden desastreus kunnen zijn... Iran zou een nucleaire leverancier kunnen worden van terreurgroepen en niemand die wellicht nog zou durven optreden.
Zoals het er nu naar uitziet, zullen wellicht alle diplomatieke pogingen om Iran te stoppen, falen. Als het westen dan geen militaire actie onderneemt, dan zal Israël ( net zoals ze in 1981 met Irak gedaan hebben ) een pre-emptive strike moeten overwegen. Dit is mijns inziens de grootste uitdaging waar ze nu voor staan.

3. Economisch en politiek

Op economisch vlak gaat het na enkele jaren van zware crisis eindelijk weer goed! Dit jaar zou de economie met 5% groeien en de werkloosheid terugvallen tot 8,9% ( 2% lager dan 2 jaar geleden ). Dit is te danken aan de privatiseringen die Nethanyahu als minister van Financiën doorgevoerd heeft en het op orde brengen van de staatsfinanciën ( door te snoeien in sociale uitkeringen e.d.m. ). Het armoedeprobleem is echter enorm: 1,5 miljoen van de 6 miljoen Israeli’s zou ‘arm’ zijn. De uitdaging zal erin bestaan die armoede terug te dringen zonder de overheidsfinanciën en de economische groei in gevaar te brengen! Die economische groei is immers noodzakelijk om de zware veiligheidslast te kunnen betalen. Vele ondernemingen in Israël hebben immers een security-guard aan de ingang staan ( restaurants, warenhuizen, musea, tot zelfs crèches! ), om te verhinderen dat zelfmoordenaars vrij zouden kunnen binnenlopen... Dit legt een zware last op de lokale ondernemingen en op de overheid, die afgezien van haar overheidsgebouwen, ook nog eens een grote hap uit haar budget naar het leger ziet verdwijnen. Veel geld voor sociale maatregelen is er dus niet...

Tot voor kort was er in Israel een coalitie aan de macht tussen likoed ( rechts ) en Labour ( links ). Likoed werd geleid door Ariel Sharon en Labour door Shimon Peres. Peres was in de coalitie gestapt omdat hij Sharon wou steunen in zijn terugtrekking uit Gaza. Op economisch vlak mocht Likoed zijn zin doen, wat voor wrevel zorgde bij de Labour-leden, aangezien Likoed een rechtse politiek voerde met vooral aandacht voor economische groei, maar weinig deed om de toenemende armoede tegen te gaan.
Toen er voorzittersverkiezingen waren bij Labour, kwam Amir Perets, toch enigszins verrassend, op 9 november als overwinnaar uit de verkiezingen. Hij won hiermee van Shimon Peres. Hij was op dat moment vakbondsleider van Histradut, de belangrijkste vakbond in Israel en had de sympathie van de arme Israeli’s gewonnen door in het verleden talrijke stakingen te organiseren tegen het beleid van de ex-minister van Financiën Nethanyahu ( die n.a.v. de terugtrekking uit Gaza uit protest opgestapt is ). Hiermee kwam de focus van de Israelische politiek niet enkel meer te liggen op veiligheid, maar ook op de armoede.
Perets verklaarde zijn partij terug te trekken uit de coalitie met het rechtse likoed en stevende zo aan op verkiezingen.
Sharon had met totaal andere problemen te maken: n.a.v. de terugtrekking uit Gaza, werd hij in zijn eigen partij gesaboteerd door verschillende haviken ( waaronder Nethanyahu ), die vonden dat hij toegaf aan ‘Palestijnse terreur’. In de Knesset ( het Israëlische parlement ) werden zijn voorstellen door de rebellen gesaboteerd. Toen Perets aankondigde dat hij de coalitie opblies, stond Sharon voor een moeilijke keuze: In Likoed blijven en riskeren dat hij tijdens de volgende legislatuur opnieuw door een aantal van zijn eigen partijleden zou gesaboteerd worden of een nieuwe partij oprichten, waar hij helemaal zijn zin kon doen?
Hij besliste een nieuwe centrumpartij op te richten, Kadima ( betekent ‘voorwaarts’ in het Hebreeuws ). Zijn focus zal volgende legislatuur liggen op het bereiken van vrede en ( om Labour een paar kiezers af te snoepen ); ‘the war on poverty’.
Shimon Peres, die zich in zijn eigen partij miskend voelde, besloot zich bij Sharons partij aan te sluiten.

Volgens recente peilingen zou Kadima 1/3 van de stemmen kunnen binnenhalen. ( Likoed implodeert en haalt nog een paar zetels ) Om te kunnen regeren zal ze wellicht terug een coalitie met Labour moeten sluiten. De vraag is echter of Sharon op economisch vlak niet teveel toegevingen zal moeten doen in een land dat gewoon geen geld heeft voor sociale maatregelen ( zie supra ) en of de tijd voor vredesbesprekingen wel rijp is.
Abbas heeft immers de lokale gangs en terreurgroepen nog lang niet onder controle, wat toch wel een absolute voorwaarde moet zijn om hem als een geloofwaardige gesprekspartner in vredesonderhandelingen te zien. Wellicht zal Sharon hier niet op wachten en desnoods unilateraal nog een aantal nederzettingen op de westelijke jordaanoever ontmantelen. De verdediging daarvan kost immers handenvol geld en door die concessies te doen, kan hij hopen de grotere blokken op termijn te kunnen behouden...
Wat er gebeurt met Iran is nog niet duidelijk en zal hoe dan ook afhangen van het slagen of falen van de internationale gemeenschap om Iran van zijn nucleaire ambities te doen afzien.
Hoe dan ook, het beloven spannende tijden te worden voor Israël...

Alexander L

donderdag, november 10, 2005

Intelligent Design



Intelligent Design

De laatste jaren is het duidelijk dat de wereld steeds meer in de ban raakt van een religieus fundamentalisme, een evolutie die mij zorgen baart.
Deze evolutie, waarin religie andere facetten van de maatschappij gaat overheersen, vindt men niet enkel terug in het traditionele voorbeeld, namelijk islamitische staten zoals Iran, maar ook in westere landen zoals de Verenigde Staten is deze beweging aan een opmars bezig.
Dit is duidelijk terug te vinden in de steun die het “intelligent design” krijgt in de Verenigde Staten.
Het “intelligent design” poneert dat de evolutieleer als verklaring voor het ontstaan van de wereld niet genoeg is, daar onze wereld zo complex is.
De aanhangers van deze theorie zijn van mening dat er een hogere kracht een hand moet hebben gehad in de schepping van onze wereld en vinden deze theorie evenwaardig of zelfs superieur aan de evolutieleer.
De Nationale Academie van Wetenschappen in de VS reageerde hier furieus op: Intelligent Design and other claims of supernatural intervention in the origin of life are not science because their claims cannot be tested by experiment and propose no new hypotheses of their own.
De voorstanders van het intelligent design zijn echter van mening dat het fout is van de Academie om enkel natuurlijke oorzaken te aanvaarden en te onderzoeken en de mogelijkheid tot bovennatuurlijke oorzaken te negeren.
Ondertussen heeft deze theorie met de steun van de Bush-entourage en de conservatief-christelijke beweging een opmars gemaakt en wordt deze theorie al in heel wat scholen gegeven naast de evolutieleer.
Een gegeven dat aanzet tot nadenken, want wat gebeurt er als religie terug de belangrijkste stem wordt in andere facetten van de maatschappij, zoals wetenschap, en zo het onderwijs?
Het doet denken aan de tijden toen er nog geen sprake was van scheiding tussen kerk en staat. Zo ver is het gelukkig nog niet gekomen, maar het is een eerste stap in die richting, en een zeer gevaarlijke.
Duizenden jongeren lopen het risico om op te groeien in een onderwijssysteem waar er met een scheef oog naar de evolutietheorie in het bijzonder en de wetenschappelijke methode in het algemeen wordt gekeken. Ook in Europa zijn er al stemmen opgegaan om deze theorie toe te laten in het onderwijs.
In mei 2005 wou de Nederlandse Minister van Onderwijs en Wetenschappen een debat organiseren tussen de evolutieleer van Darwin en de aanhangers van het “intelligent design”, met als verklaring dat "We moeten erkennen dat de evolutietheorie niet volledig is, en dat we nog steeds nieuwe dingen ontdekken".
Gelukkig werd de Minister onmiddellijk teruggefloten door onder meer haar eigen partij CDA maar ook de PvdA, LPF en D66 hadden geen oren naar dit debat.
D66-kamerlid Lambrechts liet duidelijk weten dat er 6 jaar geleden is afgesproken dat alle scholen in Nederland de evolutietheorie onderwijzen en dat er geen sprake kon zijn van een nieuw debat.
Een andere zorgwekkende factor is de opkomst van studenten aan de universiteiten die weigeren nog langer de evolutieleer als enige juiste te aanvaarden en onderwezen willen worden over het “intelligent design”, er is dus duidelijk ook een doelgroep.
Al deze facetten wijzen op een tendens waarbij de scheiding van kerk en staat verworpen wordt en de wetenschappelijke onderzoeksmethode gedevalueerd.
Een ontwikkeling in onze maatschappij die veel vragen opwekt en die ik bijzonder zorgwekkend vind.

Maarten M

De Russische Jeugd








De Russische Jeugd

Het is al langer bekend dan vandaag dat Poetin, en de groep rond hem, bezig is alle macht in Rusland naar zich toe te trekken.
Zijn laatste doel is de Russische jeugd te verenigen onder zijn vaandel, dit voornamelijk uit vrees voor een studentenopstand.
In de naburige landen, Oekraïne en Kirgizië speelden de studenten telkens een belangrijke rol tijdens de recente opstanden en nu begint men in Rusland te vrezen dat dit ook wel eens bij hen het geval zou kunnen zijn.
Nochtans heeft Poetin zowat alle macht in handen, de Doema is sinds zijn aantreden in 2000 veranderd naar een instantie met als enige functie Poetin te steunen in diens besluiten en hervormingen, oppositie is er amper en als ze de kop opsteekt belandt ze in geen tijd in de gevangenis.
Desalniettemin waren er het vorige jaar twee gebeurtenissen die zeker niet onderschat worden in het Kremlin. Een eerste teken aan de wand was er toen de bejaarden massaal op straat kwamen om zo te protesteren tegen de schandalige voorzieningen voor de derde leeftijd, een tweede kwam er toen de studenten de straat op gingen om te betogen tegen de verhoging van het studiegeld.
En Poetin staat voor een aantal belangrijke jaren, volgend najaar zijn er verkiezingen in Moskou, in 2007 zijn er parlementsverkiezingen en in 2008 presidentsverkiezingen, waar Poetin zich trouwens niet kandidaat voor kan stellen daar hij in 2008 zijn twee wettelijke ambtstermijnen er op heeft zitten.
Het was met het oog op deze voorgaande zaken dat vorige zomer de nieuwe Russische jeugdbeweging Nasji een zomerkamp organiseerde, waar de jeugd gratis kon genieten van twee weken moutainbiken, internet, zwemmen, optredens van Russische bands...
Het doel van dit kamp was volgens de organisatoren uiteraard om zich voor te bereiden op de zo gevreesde contrarevolutie.
Deze jeugdvereniging heeft tevens verbazingwekkend veel overeenkomsten met de oude communistische jeugdbewegingen: verbranden van onpatriottische literatuur, een goede dosis sovjet-marsmuziek en het branden van de eeuwige vlam voor de gesneuvelden.
Het doel achter dit zomerkamp kwam nog sterker naar voor toen Gleb Pavlovski, een hoge consultant van de presidentiële administratie die overigens betrokken was bij de vervalsing van de presidentsverkiezingen vorig najaar in Oekraïne, het woord nam: “De Verenigde Staten hebben al ooit een coup proberen te organiseren en zullen het spoedig hier proberen, waarschijnlijk tijdens de verkiezing voor het Moskouse stadsbestuur. Jullie opdracht is je fysiek te verzetten tegen elke poging tot een onconstitutionele coup.”
De vrees zit er duidelijk diep in het Kremlin, en terecht.
De kans bestaat dat het geduld van de bevolking, die lijdt onder de lage levensstandaard ondanks de economische groeicijfers, tegen 2008 op is.
Het is duidelijk dat Poetin druk bezig is de Russische jeugd te indoctrineren, vastbesloten om toestanden zoals in Oekraïne te voorkomen. En dit alles om ook na 2008, al dan niet achter de schermen, aan de macht te kunnen blijven.

Maarten M